Authentieke biologische
nederlandse Graanpletterij sinds 1977

Een kleine geschiedenis van de Halm (2/3)

Oude varkensstal

“Hoe kom je aan voedsel, aan kleding? Ja, hoe gaan we om met onze aarde?” zegt Harrie. “Dat waren de vragen waarmee we ons bezig hielden tijdens weekendbijeenkomsten, die Sietz voorzat in een oude varkensstal daar in Boxtel.” Er waren hoogleraren bij, maar ook gewoon boeren. Kortom, mensen die dachten dat het anders kon.

Die weekendbijeenkomsten spoorden Harrie aan om zelf voedsel te gaan verbouwen. Kleinschalig, in de achtertuin van zijn rijtjeshuis. Dat hield ook in dat er kennis nodig was. Hongerig naar die kennis stapte Harrie af op Bert van den Berg, de vader van Ruud en opa van Rob – de huidige mede-eigenaren van De Halm. “Bert wist enorm veel van kruiden en deelde ons enthousiasme.”

Consumentengroep

Harrie, Bert en nog wat mensen begonnen een tuindersvereniging die maandelijks bij elkaar kwam teneinde die begeerde kennis, maar ook hun tuinproducten uit te wisselen. Voor alles wat ze niet hadden, gingen ze naar de Kleine Aarde, die intussen ook een tuin en een winkeltje had. “Na verloop van tijd fietste ik een keer in de maand naar Boxtel voor volkorenmeel. Daarvan bakte ik thuis brood,” zegt Harrie. “En daar had je het in die vereniging ook weer over.”

Omdat anderen dit ook wel wilden, startten ze met zo’n tien tot vijftien gezinnen een consumentengroep, met een winkeltje in Harrie’s huis. De bestellingen die op vrijdag werden doorgebeld, werden de week erop in Boxtel afgehaald. Hierdoor werden de contacten tussen de consumentengroep en Sietz Leeflang – en de Kleine Aarde – gaandeweg intensiever. Het winkeltje groeide, maar leverde nog te weinig op om er van te kunnen bestaan. “Het gaf in ieder geval een stukje vulling van mijn leven. Ik had het gevoel dat ik iets goeds deed,” geeft Harrie toe. Om zeker te zijn van een inkomen, bleef hij vooralsnog bij DMV werken.

Wasmiddelen

Sietz wist van Harrie’s werk bij DMV en zijn chemische achtergrond. “Daarom vroeg Sietz mij op een gegeven moment of ik niet naar een bijeenkomst in Utrecht wilde gaan. Meerdere groepen, waaronder de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen en Milieudefensie, zouden daar bij elkaar komen om te praten over fosfaten in wasmiddelen en hoe daartegen actie te voeren. Dat was nodig, want het schuim lag in die tijd in een laag van een halve meter dik op rivier de Aa.”

Als enige gedelegeerde van De Kleine Aarde toog Harrie naar Utrecht. Hij bespeurde er een hoge actiebereidheid. “Op zeker moment vroegen ze mij wat ik er namens De Kleine Aarde van vond,” memoreert Harrie. “Nou mensen, zei ik, als we die zeep nu eens zelf gaan maken, dan hebben we die nieuwe wereld, waarover jullie spreken.” Hij schrok van zijn eigen woorden.

“Ach, noem het iets,” antwoordt Harrie op de vraag of hij kritisch is. Hij zegt niet iemand te zijn die bewapend met spandoeken gaat actievoeren op het Malieveld. Hij roept niet alleen maar dat het anders moet, hij doet het daadwerkelijk anders. Harrie is een doener die denkt.

Nachtelijk avontuur

Die avond, van Utrecht op weg naar huis, sprak hij zichzelf toe: “Maar Harrie, waarom ga je zelf die zeep niet maken?” Hij dubde, want zeep wilde hij niet maken. Maar wat dan wel? Vlokken en muesli’s, van granen uit de omgeving, dicht bij huis, zeker weten, dat wilde hij maken. Om half twee die nacht plette hij thuis zijn eerste granen met een hamer op een leest. “Ik heb die nacht niet geslapen.”

Kort daarop bracht hij Sietz op de hoogte van zijn nachtelijk avontuur. Onmiddellijk enthousiast stelde deze voor dat Jan Craans gerust een dagje in de week kon helpen. En zo begon het, ergens midden jaren zeventig.

Eerste afnemers

“Toen kocht ik een pletwalsje uit de oorlog, een Claes geloof ik. Het ding kostte me duizend gulden, wat natuurlijk veel te duur was. Maar ik had het geld.” Omdat het ding wat gammel was, sleutelde Harrie net zo lang totdat het naar behoren draaide. “Omdat we nog niet konden pellen, viel haver af. Rogge en tarwe ging wel. We moesten alleen wat vocht toevoegen en na pletten terugdrogen. Gerst konden we gepeld kopen van een Friese molenaar.”

Aanvankelijk werden de biologische granen voornamelijk uit Engeland en Duitsland betrokken. Wim Brinkman, die bij de Kleine Aarde werkte, kende de weg. Hij zorgde dan ook voor de eerste paar honderd kilo gerst, tarwe en rogge. Midden jaren zeventig bestond er al een klein netwerkje van zo’n twintigtal bio-winkeltjes in Nederland, waaronder dat van Roel van Duijn in Amsterdam. “En die namen onze vlokken af.”

Onverwachte gast

Voordat granen tot een vlok geplet kunnen worden, moet er water aan worden toegevoegd. Geweekte granen zijn zachter, waardoor een consistentere vlok te maken is. Na het pletten dienen de vlokken echter weer te worden terug gedroogd om schimmels geen kans te geven.

Voor het drogen vond Harrie een oplossing. Vroeger deed men dat door granen op de zoldervloer uit te spreiden, dus waarom zou dat nu niet kunnen met vlokken in de slaapkamer. “Op een vrijdagavond weekte ik 25 kg rogge om tot vlok te pletten. Mijn vrouw en kinderen waren die avond van huis. Ik had een slaapkamer ingericht als droogruimte door plastic op de grond te leggen, waarop ik de vlokken kon uitspreiden,” legt Harrie uit. “Op het moment dat ik wil gaan pletten, gaat de bel. Staat er een man aan de deur die zegt: ‘Jij gaat vanavond pletten hè.’ … Ik had hem nooit eerder ontmoet.”

Deze man was Ger van Haarlem. Na zo’n vier jaar bij Philips aan de Sterlingmotor gewerkt te hebben, was hij het zat. Sietz Leeflang, een bekende van Ger, verwees hem door naar Harrie. Samen pletten en droogden ze de rogge die avond. “In de stromende regen was-ie gekomen en in de stromende regen ging-ie weer weg. Op de fiets, van Heeswijk naar Geldrop,” zegt Harrie.

Pionieren

Ger blijkt een man van ideeën, een man met een bijzonder creatieve geest. Als er van de duizend ideeën die hij had op een dag slechts één bleef hangen, dan was het al genoeg. Na die eerste avond dacht Harrie hem nooit meer terug te zien. Hij had het mis: de week erop, klokslag zes uur, was hij er weer. Harrie: “In het begin dacht ik dat ik van geluk mocht spreken als hij een half jaar zou blijven. Het werden er uiteindelijk tien.”

“Tjonge, wat hebben we gepionierd,” merkt Harrie op, verrast door zijn eigen herinnering aan de ontwikkelingen die hierop in sneltreinvaart volgden. De productie moest en ging omhoog, waardoor het productiebedrijfje in het schuurtje bij het woonhuis aan de Rodenburgseweg al spoedig uit zijn voegen barstte. Verhuizen werd noodzakelijk. Bovendien kreeg de Keuringsdienst van Waren – de huidige VWA – lucht van de kleine voedingsproducent in Heeswijk.

Iedere stap die de twee pioniers zetten, dwong hen tot nadenken over de volgende: ze hadden iets in beweging gezet. Het succes van de eerste batches spoorde hen aan de productie te verhogen tot vijfhonderd kilo per week, wat lukte na het bouwen van een droogkoelinstallatie.

Omdat de wekelijkse halve ton aan vlokken moest worden verpakt, hadden ze zakken nodig, papieren zakken voor het uitleveren van hoeveelheden van 15 of 25 kilo. Op de zakken moest natuurlijk een bedrijfsnaam en bedrijfslogo. De naam had Harrie snel bedacht: “Haverhalmen schoten als een flits door mijn hoofd. De Halm, klaar.” Vervolgens tekende Ger het eerste bedrijfslogo en konden de zakken worden bedrukt.

dehalm

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Aenean eget porttitor diam. In varius lacus metus, sed tempus enim blandit non.

Gerst pellen Halm Geschiedenis van de Halm

Een kleine geschiedenis van De Halm (1/3)

Geschiedenis van de Halm

Een kleine geschiedenis van de Halm (3/3)